|
Samenvatting:
Een woning is levensloopbestendig als de technische installatie is aan te passen aan de zich wijzigende levensomstandigheden en de daarbij behorende wensen en behoeften van bewoners. Ook kan de installatie eenvoudig gewijzigd of uitgebreid worden volgens de laatste stand der techniek. De publicatie ‘Installaties voor Levensloopbestendig wonen’ gaat in op functie, ontwerp en uitvoering van een levensloopbestendige woning.
De publicatie is gericht op de gehele bouwkolom en is tevens bestemd voor de technisch onderlegde consument die kritisch de aangeboden installaties in zijn/haar woning wil beschouwen. De publicatie heeft primair betrekking op nieuwbouwwoningen en grootschalige renovatie.
In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de realisatie van een levensloopbestendige installatie. Onderwerpen die aan de orde komen zijn: het bouwproces, aanbod- en vraaggestuurd bouwen, de rollen van de verschillende partijen en de consequenties voor het bouwproces. Om tot een levensloopbestendige installatie te komen is het belangrijk dat vroegtijdig (reeds tijdens het ontwerpproces) een deskundige systeemintegrator in het proces wordt betrokken om tot overwogen, definitieve keuzes te komen van fabrikaten en systemen. Een goede systeemintegrator heeft de expertise in huis om de functionele wensen van de klant in kaart te brengen (vraaggestuurd) en te vertalen naar passende technische installaties.
Indien niet wordt ingespeeld op huidige of toekomstige wensen van de bewoner, loopt deze vroeger of later tegen forse meerkosten aan. De praktijk leert dat deze circa viermaal zo hoog zijn dan wanneer hier wel rekening mee was gehouden.
De omschrijving van verschillende gebruikersfuncties van een woning komt aan de orde in het tweede hoofdstuk.
Vanuit de functies wordt een relatie gelegd met de installatietechnische voorzieningen, zoals het wettelijk minimum dat voorschrijft of zoals gebruikelijk is. Hieruit blijkt dat de installaties vaak minimaal worden uitgevoerd en niet worden toegespitst op de gebruikersfuncties. Voor de elektrische installatie zijn de minimumeisen uit NEN 1010 geworden tot een vrijwel algemeen geaccepteerd maximum. Verder is er weinig aandacht voor besturings- en ICT-toepassingen in de woonomgeving. Op klimaattechnisch gebied ontbreken vooral voorzieningen voor individuele ruimteregeling, terwijl dit in Duitsland al wettelijk is voorgeschreven. Ook qua sanitair wordt vaak gekozen voor een minimale standaardoplossing. Er zijn vele mogelijkheden om te komen tot installaties die beter aansluiten op de wensen en behoeften van de gebruikers.
Het derde hoofdstuk beschrijft globaal de technische uitvoeringsconcepten van de verschillende installatieonderdelen. Een belangrijk multidisciplinair onderdeel hierin is de meterkast en/of technische ruimte. Naast de meterkast kan ook de opstelplaats van de verwarming en koeling of de keuken plaats bieden aan andere technische voorzieningen. Het verplaatsen van een aantal voorzieningen en het onderbrengen hiervan in een andere ruimte geeft mogelijkheden om een kleinere meterruimte te creëren en op een andere plaats een grotere ruimte voor apparatuur te situeren. Helaas is de grootte van de meterkast nu nog gebonden aan de in de norm NEN 2768 voorgeschreven minimum afmetingen.
Voor de elektrische installatie is een opsplitsing gemaakt in een energiedistributienet (EDN) en een ICT- en besturingsnet (IBN). Het IBN is bedoeld voor communicatie-, meet- en besturingsignalen (zoals de temperatuursensor en de aansturing van de verwarming) alsook de aansluiting van telematica-installaties (zoals internet, CAI en telefonie) en de integratie van diverse installatiefuncties door middel van woonhuisautomatisering.
Voor de uitvoering van het EDN bestaan twee concepten: conventionele bedrading met buizen en dozen en, als alternatief, bedrading met behulp van plint- en kanaalsystemen. Ook het IBN kan bedraad worden uitgevoerd. Daarnaast zijn er echter ook andere oplossingen, zoals de integratie van het IBN met het EDN door middel van Powerlinecommunicatie. Hierbij wordt het EDN benut voor energiedistributie en signaaluitwisseling. Ook met draadloze technologieën kan een (virtueel) IBN gerealiseerd worden.
De klimaattechnische installatie kan op vele manier gerealiseerd worden. Voor de toekomst is van belang dat duurzame energiebronnen met koelfuncties en individuele ruimteregeling meegewogen worden als serieuze alternatieven in een woning. Ook voor de sanitaire installatie is het van belang de alternatieven te kennen en af te wegen.
Woonhuisautomatisering kan in veel gevallen een rol spelen. Zowel uit oogpunt van comfort en luxe als ook vanuit diverse zorgfuncties. Voorbeelden zijn: een centrale ‘aan-uit-knop’ van de woning, verlichtingsscenario’s, bewaking leidingwaterkwaliteit, personenactiviteitbewaking en alarmering. Dit alles kan worden gerealiseerd door tijdens de ontwerpfase met de toekomstig gebruiker de diverse functionaliteiten te bespreken en de woninginstallaties hier op af te stemmen.
Tenslotte komt in het vierde hoofdstuk aan de orde welke voorzieningen minimaal in een woning aanwezig zouden moeten zijn om deze het predikaat ‘Levensloopbestendig’ te geven. Dit model met criteria voor ontwerp is een aanzet voor de gedachtenvorming. In de praktijk is het van belang dat klant en systeemintegrator in goed overleg tot een maatwerkoplossing komen. De woning heeft voorzieningen die het inspelen op toekomstige wensen van de bewoners vereenvoudigen. Verder wordt expliciet aandacht gevraagd voor de overdracht en het onderhoud van de installaties.
De publicatie bevat verder uitvoerige bijlagen met achtergrondinformatie, gebruikte en aanvullende literatuur, een organisatieoverzicht en een tweetal modellen voor een levensloopbestendige woning en een levensloopbestendig appartement.
Naast de publicatie is een website ingericht (www.levensloopbestendiginstalleren.nl) met aanvullende en actuele informatie, checklisten en mogelijk aanpassingen op deze publicatie.
Aantal:
|